Als ik naar beneden kom steekt de zaterdagkrant uit de brievenbus. Of in de brievenbus. Een dik pak lokkende verrassingen, uiteen gelegd in katernen en een glossy magazine. Het is maar goed dat ik vroeg ben opgestaan. Ik leg het katern 'Boeken' bovenop op de keukentafel, met daar onder het katern met de voorpagina. Dan 'Het Vervolg', wetenschap en dan nog het reizen. Ik vouw het boekendeel open en scheur de pagina met de puzzels er uit. Sinds de denksporten in het boekenkatern zitten, een vast terugkerend zaterdags ritueel. Want naast de puzzels zitten de schaak-dam- en bridgerubriek, die ik als eerste zal gaan lezen. Mijn vrouw zal zich zo meteen , nadat ze haar ontbijt heeft klaar gemaakt, op de puzzel storten. Dat wil zeggen op de schuine Sudoku van Jan Meulendijks. Ik wil niet dat zij er last heeft dat het katern bezet is. Of dat ik gestoord wordt tijdens het lezen ervan. Zorgvuldig controleer ik of ik eventueel geïnteresseerd zou zijn in de pagina op de achterkant van de puzzels. Maar dat is gelukkig nooit het geval.
Even leg ik dit lokkende perspectief van schaken en boeken terzijde, om uit het katern met de voorpagina, het kunstkatern te pellen. En daarna uit het kunstkatern het sportkatern. Even verlekker ik mij aan wat mij daar straks staat te wachten. Maar ik ben sterk en leg de gevonden katernen in de volgorde sport, voorpagina en kunst onder de boekenbijlage. Dan smeer ik een boterham.
Ik lees over Nederlandse schakers in den vreemde. Ik lees over de briljante bridger Hans Kreijns, die deze week is overleden. En ik lees de damrubriek, al snap ik niets van dammen. Alleen al het feit dat een briljante geest als Ton Sijbrands de rubriek schrijft maakt dat ik me niet voor kan stellen dat er Volkskrantlezers zouden kunnen zijn, die de damrubriek overslaan. Een sport die zich noteert als 44-40!! 25-30; 24x35 13-19 moet msitieke kanten hebben. Hoe mooi kan dammen zijn. Het lezen van zijn analyses van partijen van de grootsten der dam-aarde, doet je beseffen dat hij zelf nog steeds de grootste moet zijn. Al is het maaromdat hij bij een stelli gn na 19 (!) zetten constateert: "Bodanikov kan niet op zijn rheoretische kenis terug vallen, omdat deze precieze stelling zich nog nooit eerder heeft voorgedaan".
Wat een merkwaardig gevoel moet dat zijn voor de praktiserende dammer: alles wat in de damwereld gebeurt, wordt gemeten langs de Sijbrandsmeetlat. Niet uit ijdelheid, maar omdat hij het 'toevallig' weet.
Ik blader verder. Hoop op recensies van filosofieboeken, want fictie lees ik niet meer. De pas verschenen non-fictie is teleurstellend deze week. Daarentegen zijn er diverse koppen die intrigeren:
- Het machteloze zwijgen van de therapeut
"In het najaar van 1945 komt de Joodse Esra met bange wijdopengesperde ogen bij Hans Keilder om onderzocht te worden vanwege zijn angsten. Zijn gekweldheid en zijn neiging anderen te kwellen. Keilsen heeft ervaring met kinderen die ondergedoken hebben gezeten, maar zag nog nooit eerder een kind dat een concentratiekamp overleefde".
Een voor mij volstrekt nieuwe thematiek uit de oorlog. Therapie van een 12-jarige overlever van een concentratiekamp, en dat in 1945. Dat wil ik meteen lezen.
- Ik ga me tot één onderwerp beperken.
Voor de tweede keer in één week word ik geconfronteerd met A.L. Snijders, de uitvinder van het ZKV, het Zeer Korte Verhaal. Wat trouwens veel korter klinkt dan de verhalen in werkelijkheid zijn. Ik ken A.L. Snijders. Hij leest altijd een ZKV voor op radio 4, iedere vrijdag, of iedere dinsdag, dat is pas geleden gewisseld. Daarvoor had ik nog nooit van A.L. Snijders gehoord. Eerst vond ik het niks. Maar langzaam werd het leuker. En zeker nu ik begin deze week A.L. Snijders voor het eerst heb gezien (op TV) ben ik bijna fan. Ik leef al een week met de gedachte een ZKV te schrijven over A.L. Snijders. Ik heb ook al een zin bedacht voor dat verhaal:
"Ik worstel nog met de gedachte of ik A.L. Snijders in mijn verhaal één van zijn eigen korte verhalen moet laten voorlezen, of eentje, die ik voor hem heb bedacht". Ik ga het verhaal iets met 'Droste' noemen. Vanwege het effect. Een kort verhaal over een kort verhaal door iemand die korte verhalen schrijft.
- Zullen we neuken vraagt oma
Ik lees het verhaal dat er onder staat niet eens. Al scan ik wel het artikel, dat lijkt te gaan over op zich interessante verhalenvertellers. En de naam van mijn held JJ Voskuil komt in het artikel voor. Het helpt niet. Ik blader verder. En pak het sportkatern. Zo meteen ga ik, net als iedere zaterdag, hardlopen. Ik lees het artikel over Koen Raaijmakers, die met heel veel trainen zijn looptechniek zo heeft verbeterd dat hij hoopt de marathon 70 seconden sneller te kunnen lopen. Zeventig seconden verdeeld over 42 kilometer, dat is volgens mij minder dan 2 seconden per kilometer. Mag je nog blij zijn dat een marathon vrij ver is.
Na het hardlopen fiets ik naar het dorp om een kadootje te kopen voor een collega, die afscheid neemt. In de boekwinkel natuurlijk, het kadootje, niet het afscheid. Al dralend en dwalend stuit ik op: Liever Holland dan Heimwee. Van Hans Keilson. Een vage tinteling. Waar ken ik dat van? Door de achterflap herken ik mijn ochtendheld. Maar ik koop het boek niet. Al weet ik niet waarom.
Martin Bril lacht me toe: Heimwee naar Nederland. Ik hou niet van Martin Bril. Toch blader ik even in het boek. Ik vind alleen de verhaaltjes leuk, van zijn observaties in Nederland. Het rondrijden langs Genemuiden en Ternaard en Zutphen. Plaatsen die ik ken; verhalen, die de schrijver met mij, en daardoor voor mij met de rest van de mensheid verbindt. Ik koop Martin.
Terug thuis blader ik in de krant. Nog één keer de boekenbijlage, voordat ik die definitief moet weg leggen. Uitgeperst en opgegeten. Arjan Peters: Om tien over half vier noteerde Martin Bril, ging het pannetje met hutspot de magnetron van de komeet in. Over 'Heimwee naar Nederland'.
De cirkel is rond. De zaterdagkrant is nog niet uit. Het geluk lacht me toe.
MIDDENMOTERROERSELEN
Cultuur is het verlangen iets te delen wat in wezen buiten jezelf staat, maar gevoelsmatig zo dicht bij je komt dat je het wilt verdedigen alsof het van jezelf is. (Hans den Hartog Jager in "Dit is Nederland").
zaterdag 14 april 2012
woensdag 21 maart 2012
Groene golf
Op weg naar Hoogeveen, via Ommen kom ik door Oudleusen. Een klein plaatsje in de schaduw van de doorgaande weg. Als je er langs snort kun je je bijna niet voorstellen dat er links van je enkele honderden mensen moeten wonen. Verscholen achter lommerrijke bomen en achter een grote kerk. Meer was Oudleusen ook niet: Een voetnoot langs de N340. Een stil bestaan in de palm van het Vechtdal.
Tot enkele maanden geleden. Toen is er in Oudleusen een stoplicht geplaatst! Ik weet wel dat je verkeerslicht moet zeggen, maar in de praktijk betekent dat, dat ik nu moet stoppen in Oudleusen als een locale bewoner zich buiten zijn reservaat begeeft. Als diens auto vanaf de parallelweg de Hessenweg op draait, moet de rest van mobielend en doorgaand Salland een pas op de plaats maken. Oudleusen eist zijn ruimte op! Ach, de vooruitgang eist zijn tol, ook in Oudleusen.
Het zou een druppel in de eeuwigheid zijn geweest als vorige week de zo ontstane, en voor een plattelander al uiterst gecompliceerde verkeerssituatie in Oudleusen niet opnieuw was veranderd. Naderend vanuit de richting Dalfsen zie ik tot mijn grote verbazing een elektronisch groen oplichten, een volautomatisch aanschietend bord, waarop staat aangegeven dat ik mij in een zone bevind, waarin een groene golf van toepassing is. Een groene bewegende sinus ondersteunt dit bericht. Als ik niet te hard ga, zullen alle stoplichten op groen staan als ik er langs kom, hoe onmetelijk aantrekkelijk!
In mijn euforie vergeet ik heel even dat er in de verre omtrek maar één stoplicht te vinden is: het stoplicht dat ik op dit moment al kan zien en dat 50 meter voorbij het groene golf teken staat. Ik herken een 'rose legging'-moment *. Iemand in de gemeentelijk apparaat van de gemeente Dalfsen heeft in nauw overleg met de bewoners van Oudleusen ontdekt dat het handig zou zijn als je al 50 meter voor het stoplicht weet of je wel of niet zult moeten stoppen. Bovendien zal dit Oudleusen definitief op de kaart zetten, net als bijv. Maastricht waar het groene golftraject enorm gemak heeft gebracht aan passerende automobilisten.
Ik zoek naar een passende metafoor. Het is alsof twee elkaar één maal per jaar passerende handelaren in kamelen tot de conclusie komen dat op de plaats waar zij elkaar nu al drie jaar lang ontmoeten, op de derde maandag in mei, een rotonde moet worden aangelegd. Of het is alsof .........
Nee geen enkele metafoor kan de werkelijkheid zelfs maar benaderen. Ik denk dat de beide koopmannen in de Sahara hun rotonde zullen aanleggen, en dat hun hoofdschuddende collega's , samen met de de koning van Egypte, Oudleusen als hun metafoor zullen gebruiken.
PS *. Een rose-leggingmoment: Een van Jan-Jaap van der Wal gepikte uitdrukking die mijs inziens opname in onze taal verdient, een beetje als de paarse krokodil. Ik parafraseer:
Het maakt mij niet uit dat een hele dikke vrouw op straat loopt in een kort rokje met een rose legging.
Ik vraag me alleen af: hoe gaat dat 's morgens vroeg?
Zo'n vrouw staat voor de spiegel en ziet al dat lillend vet.
En dan denkt ze: "vandaag echt een dag voor een rose legging".
Dat moment intrigeert me.
Tot enkele maanden geleden. Toen is er in Oudleusen een stoplicht geplaatst! Ik weet wel dat je verkeerslicht moet zeggen, maar in de praktijk betekent dat, dat ik nu moet stoppen in Oudleusen als een locale bewoner zich buiten zijn reservaat begeeft. Als diens auto vanaf de parallelweg de Hessenweg op draait, moet de rest van mobielend en doorgaand Salland een pas op de plaats maken. Oudleusen eist zijn ruimte op! Ach, de vooruitgang eist zijn tol, ook in Oudleusen.
Het zou een druppel in de eeuwigheid zijn geweest als vorige week de zo ontstane, en voor een plattelander al uiterst gecompliceerde verkeerssituatie in Oudleusen niet opnieuw was veranderd. Naderend vanuit de richting Dalfsen zie ik tot mijn grote verbazing een elektronisch groen oplichten, een volautomatisch aanschietend bord, waarop staat aangegeven dat ik mij in een zone bevind, waarin een groene golf van toepassing is. Een groene bewegende sinus ondersteunt dit bericht. Als ik niet te hard ga, zullen alle stoplichten op groen staan als ik er langs kom, hoe onmetelijk aantrekkelijk!
In mijn euforie vergeet ik heel even dat er in de verre omtrek maar één stoplicht te vinden is: het stoplicht dat ik op dit moment al kan zien en dat 50 meter voorbij het groene golf teken staat. Ik herken een 'rose legging'-moment *. Iemand in de gemeentelijk apparaat van de gemeente Dalfsen heeft in nauw overleg met de bewoners van Oudleusen ontdekt dat het handig zou zijn als je al 50 meter voor het stoplicht weet of je wel of niet zult moeten stoppen. Bovendien zal dit Oudleusen definitief op de kaart zetten, net als bijv. Maastricht waar het groene golftraject enorm gemak heeft gebracht aan passerende automobilisten.
Ik zoek naar een passende metafoor. Het is alsof twee elkaar één maal per jaar passerende handelaren in kamelen tot de conclusie komen dat op de plaats waar zij elkaar nu al drie jaar lang ontmoeten, op de derde maandag in mei, een rotonde moet worden aangelegd. Of het is alsof .........
Nee geen enkele metafoor kan de werkelijkheid zelfs maar benaderen. Ik denk dat de beide koopmannen in de Sahara hun rotonde zullen aanleggen, en dat hun hoofdschuddende collega's , samen met de de koning van Egypte, Oudleusen als hun metafoor zullen gebruiken.
PS *. Een rose-leggingmoment: Een van Jan-Jaap van der Wal gepikte uitdrukking die mijs inziens opname in onze taal verdient, een beetje als de paarse krokodil. Ik parafraseer:
Het maakt mij niet uit dat een hele dikke vrouw op straat loopt in een kort rokje met een rose legging.
Ik vraag me alleen af: hoe gaat dat 's morgens vroeg?
Zo'n vrouw staat voor de spiegel en ziet al dat lillend vet.
En dan denkt ze: "vandaag echt een dag voor een rose legging".
Dat moment intrigeert me.
zaterdag 10 maart 2012
Friezen geven gas, begrepen!?
De perswereld is in de war. Een voetbaltrainer heeft een vierde official uitgescholden. Dat hoort niet. Zeker niet als die voetbaltrainer in de eredivisie werkt. Nota bene bij de club die bijna bovenaan staat in de eredivisie. Wat denkt die trainer wel. Hij moet een voorbeeld zijn
Een voetbaltrainer is boos. Hij is van het veld gestuurd. Door de vierde official. Hoe onbelangrijk kun je zijn! Vierde! In de sport de meest uitgekotste plek die er is! Official: in de sport de plek voor iedereen die iets niet kan! Middenmoter zonder zelfkennis!
De vierde official voelt zich belangrijk. Hij moet in de gaten houden of de trainer tussen de lijntjes blijft. Hij oefent vaak met z'n zoontje van drie op het treinstation. Die mag dan vrij rond lopen, maar tot aan de streep. Want nog verder is gevaarlijk. Dan kun je zomaar worden mee gezogen door een trein.
De wedstrijd loopt niet naar wens. De trainer schreeuwt. De vierde official vindt dat eng. Z'n zoontje schreeuwt soms ook. Hij loopt naar de trainer.
- 'Trainer niet zo schreeuwen'.
Maar de trainer hoort het niet, die let op het veld.
- 'Trainer niet zo schreeuwen'.
De trainer kijkt naar de vierde official. Hij gaat rechter op staan. Z'n lichaam is groot en sterk. De vierde official is bang. Bang dat hij onder de trein zal komen.
De scheidsrechter hoort iemand in z'n oor roepen. Iemand in doodsnood. Het moet een official zijn (de vierde waarschijnlijk), want anderen kunnen hem niet bereiken. Keepers die in elkaar getrapt worden mogen geen zendapparatuur hebben. De scheidsrechter rent naar de kant, naar de man in doodsnood.
'"Hij duwde mij!".
"Je liegt!"
"Nietus!".
"Wellus".
Er is een man in een auto. Er staat een bordje: Leeuwarden rechtsaf. Omdat de chauffeur z'n doel in Leeuwarden zoekt, slaat hij rechtsaf. Maar de straat loopt dood. Erg dood. Een blinde muur doemt op. Fout bordje. Foute bocht. Te vroeg afgeslagen. Toch geeft de man gas. Hij is Fries. Misschien gaat de muur wel aan de kant.
De trainer zit op de tribune. Stuurs kijkt hij voor zich uit. Hij is verongelijkt, boos, machteloos, aangetast in z'n eer. Maar bovenal teleurgesteld, teleurgesteld in het falen van het recht. Omdat de waarheid niet is vastgesteld. Soms is er maar één waarheid, zoals hier. Er is niet geduwd. Het is niet waar. De vierde official liegt! Nooit zal de trainer genoegen nemen met deze belachelijke onrechtvaardige behandeling! Daarom geeft hij gas.
Zoals het een Fries betaamt. Thuis begrijpen ze dat.
Een voetbaltrainer is boos. Hij is van het veld gestuurd. Door de vierde official. Hoe onbelangrijk kun je zijn! Vierde! In de sport de meest uitgekotste plek die er is! Official: in de sport de plek voor iedereen die iets niet kan! Middenmoter zonder zelfkennis!
De vierde official voelt zich belangrijk. Hij moet in de gaten houden of de trainer tussen de lijntjes blijft. Hij oefent vaak met z'n zoontje van drie op het treinstation. Die mag dan vrij rond lopen, maar tot aan de streep. Want nog verder is gevaarlijk. Dan kun je zomaar worden mee gezogen door een trein.
De wedstrijd loopt niet naar wens. De trainer schreeuwt. De vierde official vindt dat eng. Z'n zoontje schreeuwt soms ook. Hij loopt naar de trainer.
- 'Trainer niet zo schreeuwen'.
Maar de trainer hoort het niet, die let op het veld.
- 'Trainer niet zo schreeuwen'.
De trainer kijkt naar de vierde official. Hij gaat rechter op staan. Z'n lichaam is groot en sterk. De vierde official is bang. Bang dat hij onder de trein zal komen.
De scheidsrechter hoort iemand in z'n oor roepen. Iemand in doodsnood. Het moet een official zijn (de vierde waarschijnlijk), want anderen kunnen hem niet bereiken. Keepers die in elkaar getrapt worden mogen geen zendapparatuur hebben. De scheidsrechter rent naar de kant, naar de man in doodsnood.
'"Hij duwde mij!".
"Je liegt!"
"Nietus!".
"Wellus".
Er is een man in een auto. Er staat een bordje: Leeuwarden rechtsaf. Omdat de chauffeur z'n doel in Leeuwarden zoekt, slaat hij rechtsaf. Maar de straat loopt dood. Erg dood. Een blinde muur doemt op. Fout bordje. Foute bocht. Te vroeg afgeslagen. Toch geeft de man gas. Hij is Fries. Misschien gaat de muur wel aan de kant.
De trainer zit op de tribune. Stuurs kijkt hij voor zich uit. Hij is verongelijkt, boos, machteloos, aangetast in z'n eer. Maar bovenal teleurgesteld, teleurgesteld in het falen van het recht. Omdat de waarheid niet is vastgesteld. Soms is er maar één waarheid, zoals hier. Er is niet geduwd. Het is niet waar. De vierde official liegt! Nooit zal de trainer genoegen nemen met deze belachelijke onrechtvaardige behandeling! Daarom geeft hij gas.
Zoals het een Fries betaamt. Thuis begrijpen ze dat.
zondag 12 februari 2012
Hegel in Dalfsen: Kunst voor gevorderden?
Ik ben met Hegel naar de kunst gelopen. Hegel is een groot denker. Het is jammer dat niet iedereen Hegel kan begrijpen. Het zou de moeite waard zijn om naast ieder kunstwerk een bordje te zetten met een kleine Hegeliaanse uitleg.
Hegel is van de botsingen. Dialectiek heet dat: Alles ontstaat uit het voorgaande. Tegenstellingen houden de wereld op gang. Het tegenovergestelde van 'zijn' is 'niet zijn'. Van niet zijn naar zijn, dat heet 'worden'. In worden zijn 'Zijn' en 'niet zijn' verenigd. Tussen 'idee' en 'wereld' is in 'worden' geen onderscheid.
Wat is de tegenstelling van subject? Van de individuele mens (het subject), die in zijn eentje aan bijv. een kunstwerk werkt? Het is het object. Iets wat achterblijft. Het kunstwerk dat een eigen leven gaat leiden. In dat object wordt het idee van het subject tot 'gestolde geest'. Een gezin, een staat, de geschiedenis, het zijn andere voorbeelden van 'gestolde geest'.
Individuen zijn, als je zo door denkt, instrumenten van een collectieve geest. Hegel noemt dat "De objectieve geest". De tijdgeest zouden wij misschien zeggen. Kunstenaars zijn instrumenten van de tijdgeest. Als Michelangelo niet had bestaan, dan had iemand anders wel de renaissance vorm gegeven. Want die zat er aan te komen. Kunst-stromingen zijn het resultaat van de tijdgeest. Kunstwerken die belangrijk en historisch noodzakelijk zijn, leiden een eigen leven, als representant van de objectieve geest. Los van de maker, die het werk misschien wel anders bedoeld had.
Zodra een kunstwerk onderwerp wordt van filosofische reflectie, fungeert het als instrument van een hogere bewustwording, die Hegel de 'Absolute geest' noemt. In het denken over de kunst komt het tot verzoening tussen subject en object. De geest keert naar zichzelf terug: ontstaan vanuit de geest, vorm van de geest, Gestolde Geest. Kunst is het 'zintuiglijke schijnen' van 'het idee'. Kunst spreekt ons aan. Letterlijk in de zin van: zegt iets tegen ons. Het gaat niet om de weergave, om de gelijkenis, het gaat om de mate waarin 'het idee' ons bereikt.
Daarom is natuur zelf nooit kunst, hoe mooi ook. De weergave ervan brengt subject en object bij elkaar. Idee en object worden één. De weergave door de kunstenaar (het subject) is altijd de weergave vanuit een idee, een vorm van waarneming. Daarom past er kunst in ieder landschap, zodat paard en volk met elkaar zijn verbonden.
Kunst is dialectiek in zichzelf. Een vormgeving ontstaat altijd vanuit een eigen historische context. Waarvan kennis onderdeel is. Kennis over kunst beïnvloed het maken van kunst. Kunst ontwikkelt zich op basis van het voorgaande. Dialectiek. Kunst is kunst, doordat het een reactie vertegenwoordigt.
Hegel is nog niet tevreden. Hij vindt dat je kunstwerken moet kunnen voelen. Dat het gevoel van het werk er moet zijn zonder dat het object daarvoor nodig is.Dat kunst wordt tot een een religieuze ervaring.
Daarom is religie (niet godsdienst!) volgens Hegel een hogere vorm van Absolute Geest. Object en subject worden op gevoelsniveau geïntegreerd.
Maar de hoogste vorm van absolute geest is filosofie! Als de geest zich bewust is van de integratie van subject en object, iets wat kan ontstaan d.m.v. reflectie, dan is de hoogste staat van bestaan bereikt. Dat gebeurt in de filosofie!
Daar kan Dalfsen nav dit kunstwerk nu naar op weg!
Hegel is van de botsingen. Dialectiek heet dat: Alles ontstaat uit het voorgaande. Tegenstellingen houden de wereld op gang. Het tegenovergestelde van 'zijn' is 'niet zijn'. Van niet zijn naar zijn, dat heet 'worden'. In worden zijn 'Zijn' en 'niet zijn' verenigd. Tussen 'idee' en 'wereld' is in 'worden' geen onderscheid.
Wat is de tegenstelling van subject? Van de individuele mens (het subject), die in zijn eentje aan bijv. een kunstwerk werkt? Het is het object. Iets wat achterblijft. Het kunstwerk dat een eigen leven gaat leiden. In dat object wordt het idee van het subject tot 'gestolde geest'. Een gezin, een staat, de geschiedenis, het zijn andere voorbeelden van 'gestolde geest'.
Individuen zijn, als je zo door denkt, instrumenten van een collectieve geest. Hegel noemt dat "De objectieve geest". De tijdgeest zouden wij misschien zeggen. Kunstenaars zijn instrumenten van de tijdgeest. Als Michelangelo niet had bestaan, dan had iemand anders wel de renaissance vorm gegeven. Want die zat er aan te komen. Kunst-stromingen zijn het resultaat van de tijdgeest. Kunstwerken die belangrijk en historisch noodzakelijk zijn, leiden een eigen leven, als representant van de objectieve geest. Los van de maker, die het werk misschien wel anders bedoeld had.
Zodra een kunstwerk onderwerp wordt van filosofische reflectie, fungeert het als instrument van een hogere bewustwording, die Hegel de 'Absolute geest' noemt. In het denken over de kunst komt het tot verzoening tussen subject en object. De geest keert naar zichzelf terug: ontstaan vanuit de geest, vorm van de geest, Gestolde Geest. Kunst is het 'zintuiglijke schijnen' van 'het idee'. Kunst spreekt ons aan. Letterlijk in de zin van: zegt iets tegen ons. Het gaat niet om de weergave, om de gelijkenis, het gaat om de mate waarin 'het idee' ons bereikt.
Daarom is natuur zelf nooit kunst, hoe mooi ook. De weergave ervan brengt subject en object bij elkaar. Idee en object worden één. De weergave door de kunstenaar (het subject) is altijd de weergave vanuit een idee, een vorm van waarneming. Daarom past er kunst in ieder landschap, zodat paard en volk met elkaar zijn verbonden.
Kunst is dialectiek in zichzelf. Een vormgeving ontstaat altijd vanuit een eigen historische context. Waarvan kennis onderdeel is. Kennis over kunst beïnvloed het maken van kunst. Kunst ontwikkelt zich op basis van het voorgaande. Dialectiek. Kunst is kunst, doordat het een reactie vertegenwoordigt.
Hegel is nog niet tevreden. Hij vindt dat je kunstwerken moet kunnen voelen. Dat het gevoel van het werk er moet zijn zonder dat het object daarvoor nodig is.Dat kunst wordt tot een een religieuze ervaring.
Daarom is religie (niet godsdienst!) volgens Hegel een hogere vorm van Absolute Geest. Object en subject worden op gevoelsniveau geïntegreerd.
Maar de hoogste vorm van absolute geest is filosofie! Als de geest zich bewust is van de integratie van subject en object, iets wat kan ontstaan d.m.v. reflectie, dan is de hoogste staat van bestaan bereikt. Dat gebeurt in de filosofie!
donderdag 2 februari 2012
Maar is het kunst, daar in Dalfsen?
Uit de verte zijn het twee steigerende paarden, of lijkt het een landbouwmachine. Maar het is kunst. Dat weet je als je er voor staat: het dient nergens toe, het is gekleurd en het stelt niets concreets voor. Dan weet je als burger zonder opleiding: dit is kunst. Als het later wordt opgenomen in de 'kunstroute' weet je het zeker. Dan kun je het ook zeggen: "zie je wel, kunst!"
Als je je er wat verder in verdiept kom je meer aan de weet: Er is ruzie over gemaakt. Iemand heeft besloten dat er ergens in het landschap een kunstwerk moet komen. De gemeente of zo. Of een actieve groep burgers met hart voor de zaak. Hart voor de gemeente. Hart voor de andere burgers, die nog niets van kunst weten. Mensen, die iedereen graag in aanraking willen brengen met Kunst. Of willen confronteren met kunst. Die hun medemens willen opstoten in de vaart der volkeren. Willen bijdragen aan hun ontwikkeling. Want Pierre Bourdieu toonde al aan, dat kunstwaardering een sociologische component heeft: hoe lager iemands sociale status, hoe duidelijker het moet zijn wat een kunstwerk voorstelt.
Maar er zijn mensen tegen. Want er zijn altijd mensen tegen. Niet tegen kunst, want niemand is tegen kunst. Nee, de tegenstanders zijn tegen die rommel, die anderen kunst noémen. Terwijl het helemaal geen kunst ís! Want zeggen ze: ik kan zoiets ook maken. En het stelt niks voor. Of, zoals Guus Kuijer ooit optekende uit de mond van een man die in een museum naar een schilderij stond te kijken: Dat kan mijn dochter van drie ook! Een blijk van minachting, zo bleek, en daarmee de titel van Kuijers latere boek: "Het geminachte kind".
Praten helpt. Er blijken duizenden argumenten te bestaan waarom iets kunst is.
Het moet iets voorstellen.
Het moet de uitdrukking zijn van gevoelens van de kunstenaar.
Het moet mooi zijn.
Het moet vernieuwend zijn.
Het moet mensen uit hun evenwicht brengen.
Het mag geen landschap zijn.
Daarmee blijken de deelnemers aan de discussie zes kunstfilosofische stromingen te vertegenwoordigen. Vertegenwoordigd door Plato, Kant, Hegel, Tolstoi en andere grootheden. Maar ze weten dat niet. Ze praten over kunst en vinden er iets van. En daarmee wordt het op zichzelf al weer kunst. Tenminste, volgens al weer een andere stroming.
En ik? Ik vind het mooi. Landbouwmachinekleuren, in de vorm van abstracte paarden, die de plattelandsgemeenschap verbinden met de natuur. Passend bij een dorp waarin natuur, arbeid, inkomen en cultuur nauw verbonden en van elkaar afhankelijk zijn. Ik blijk een symbolist. Nog een stroming.
- "Natuur zo mooi als in Dalfsen heeft geen kunstwerk nodig", werpt de buurman tegen.
- "Dalfsen wel" zeg ik, "want iedereen is nu kunstfilosoof. En dat is goed voor de vaart der volkeren".
Binnenkort de Overijsselse kunstroute. Ik hoop dat iedereen mee doet.
Als je je er wat verder in verdiept kom je meer aan de weet: Er is ruzie over gemaakt. Iemand heeft besloten dat er ergens in het landschap een kunstwerk moet komen. De gemeente of zo. Of een actieve groep burgers met hart voor de zaak. Hart voor de gemeente. Hart voor de andere burgers, die nog niets van kunst weten. Mensen, die iedereen graag in aanraking willen brengen met Kunst. Of willen confronteren met kunst. Die hun medemens willen opstoten in de vaart der volkeren. Willen bijdragen aan hun ontwikkeling. Want Pierre Bourdieu toonde al aan, dat kunstwaardering een sociologische component heeft: hoe lager iemands sociale status, hoe duidelijker het moet zijn wat een kunstwerk voorstelt.
Maar er zijn mensen tegen. Want er zijn altijd mensen tegen. Niet tegen kunst, want niemand is tegen kunst. Nee, de tegenstanders zijn tegen die rommel, die anderen kunst noémen. Terwijl het helemaal geen kunst ís! Want zeggen ze: ik kan zoiets ook maken. En het stelt niks voor. Of, zoals Guus Kuijer ooit optekende uit de mond van een man die in een museum naar een schilderij stond te kijken: Dat kan mijn dochter van drie ook! Een blijk van minachting, zo bleek, en daarmee de titel van Kuijers latere boek: "Het geminachte kind".
Praten helpt. Er blijken duizenden argumenten te bestaan waarom iets kunst is.
Het moet iets voorstellen.
Het moet de uitdrukking zijn van gevoelens van de kunstenaar.
Het moet mooi zijn.
Het moet vernieuwend zijn.
Het moet mensen uit hun evenwicht brengen.
Het mag geen landschap zijn.
Daarmee blijken de deelnemers aan de discussie zes kunstfilosofische stromingen te vertegenwoordigen. Vertegenwoordigd door Plato, Kant, Hegel, Tolstoi en andere grootheden. Maar ze weten dat niet. Ze praten over kunst en vinden er iets van. En daarmee wordt het op zichzelf al weer kunst. Tenminste, volgens al weer een andere stroming.
En ik? Ik vind het mooi. Landbouwmachinekleuren, in de vorm van abstracte paarden, die de plattelandsgemeenschap verbinden met de natuur. Passend bij een dorp waarin natuur, arbeid, inkomen en cultuur nauw verbonden en van elkaar afhankelijk zijn. Ik blijk een symbolist. Nog een stroming.
- "Natuur zo mooi als in Dalfsen heeft geen kunstwerk nodig", werpt de buurman tegen.
- "Dalfsen wel" zeg ik, "want iedereen is nu kunstfilosoof. En dat is goed voor de vaart der volkeren".
Binnenkort de Overijsselse kunstroute. Ik hoop dat iedereen mee doet.
Labels:
Filosofie?,
Kijk op de wereld,
Kunst en Beeld
dinsdag 31 januari 2012
Vrij!
Een crimineel is vrijgelaten. Dat is een goede zaak. We gaan zorgvuldig met onze criminelen om. Daar hoort vrijlaten ook bij. Meestal. Als ze geen levenslang hebben gekregen. En als ze geen levenslang hebben, horen ze te worden vrijgelaten. Want dan hebben ze hun straf uitgezeten. Zo denken wij!
Waarom zetten we eigenlijk mensen gevangen? Wat is de gedachte achter ons rechtssysteem? Op TV zie ik mannen in oranje pakken met handboeien om en ijzeren kettingen tussen de enkels. Ze kunnen maar kleine stapjes zetten. Dat is omdat het criminelen zijn natuurlijk. Anders lopen ze weg. En dat willen we niet.
Ik zie dat ze de mannen in oranje pakken in een kooi stoppen. Misschien zijn het recente afstammelingen van apen. Recente primaten. Gevonden in een ghetto. Een pas ontdekt primatenghetto. Geen mensen, dat is zeker. Ik kan het niet aan zien.
Gelukkig blijken die mannen in Amerika in de gevangenis te zitten. Ik heb met ze te doen. Ik kijk de andere kant uit. Want wij denken anders. Die mannen in oranje pakken hebben trouwens levenslang. Ook als ze onverhoopt vrij mochten komen. Want dan krijgt de hele buurt een briefje in de bus met daarop een grijnzende boeventronie en het strafblad. Want hij zal zeker opnieuw in de fout gaan. Misselijk vinden wij dat stigmatiseren. In ons rechtssysteem. Wij zijn beschaafd.
Wij weten wel beter. Als een crimineel vrij komt hebben wij hem heropgevoed. Dat is namelijk één van de functies van onze gevangenissen. Daarom behandelen wij gevangenen ook alsof het mensen zijn. En niet als dieren. Terwijl ze worden heropgevoed beschermen wij onze maatschappij tegen deze doerakken. De tweede functie van ons rechtssysteem. En als ze straks zijn heropgevoed, kunnen ze de vrijheid aan. En is onze wraak voorbij. We spreken liever van vergelding. Dat is beschaafder. De drieslag is compleet. Maatschappij beschermen, vergelding als wraak, heropvoeden. Daarna krijgen ze een nieuwe kans.
Soms. Of zijn we van mening veranderd?
Waarom zetten we eigenlijk mensen gevangen? Wat is de gedachte achter ons rechtssysteem? Op TV zie ik mannen in oranje pakken met handboeien om en ijzeren kettingen tussen de enkels. Ze kunnen maar kleine stapjes zetten. Dat is omdat het criminelen zijn natuurlijk. Anders lopen ze weg. En dat willen we niet.
Ik zie dat ze de mannen in oranje pakken in een kooi stoppen. Misschien zijn het recente afstammelingen van apen. Recente primaten. Gevonden in een ghetto. Een pas ontdekt primatenghetto. Geen mensen, dat is zeker. Ik kan het niet aan zien.
Gelukkig blijken die mannen in Amerika in de gevangenis te zitten. Ik heb met ze te doen. Ik kijk de andere kant uit. Want wij denken anders. Die mannen in oranje pakken hebben trouwens levenslang. Ook als ze onverhoopt vrij mochten komen. Want dan krijgt de hele buurt een briefje in de bus met daarop een grijnzende boeventronie en het strafblad. Want hij zal zeker opnieuw in de fout gaan. Misselijk vinden wij dat stigmatiseren. In ons rechtssysteem. Wij zijn beschaafd.
Wij weten wel beter. Als een crimineel vrij komt hebben wij hem heropgevoed. Dat is namelijk één van de functies van onze gevangenissen. Daarom behandelen wij gevangenen ook alsof het mensen zijn. En niet als dieren. Terwijl ze worden heropgevoed beschermen wij onze maatschappij tegen deze doerakken. De tweede functie van ons rechtssysteem. En als ze straks zijn heropgevoed, kunnen ze de vrijheid aan. En is onze wraak voorbij. We spreken liever van vergelding. Dat is beschaafder. De drieslag is compleet. Maatschappij beschermen, vergelding als wraak, heropvoeden. Daarna krijgen ze een nieuwe kans.
Soms. Of zijn we van mening veranderd?
maandag 16 januari 2012
Dode dingen
Als ik een nieuw pak crackers open maak ontwaar ik binnen plotseling een lichte paniek. De crackers zitten stijf vast in het pak en ik ben maar van plan er één op te eten. Ik weet nog niet welke. Plotseling vraag ik me af, of er ik het pak crackers nu ook collectieve paniek is uitgebroken. Of ze rillen van spanning.
- Ben ik het?
- Ben ik aan de beurt?
- Zou hij mij kiezen?
Voor één van de crackers is het bestaan zo meteen voorbij. Weldra zal zij vermalen worden tussen mijn kaken, na te zijn ingesmeerd met een beetje boter en smeerkaas. Wat trouwens een smerige combinatie is volgens mijn levenspartner. En volstrekt overbodig.
Ik kan ook kiezen voor de combinatie van dezelfde boter met een plakje magere achterham, maar een einde wordt het. De crackerhemel of -hel is nabij. Wat voor mensen niet bestaat kan best mee een materiële configuratie hebben. Meedingen in de letterlijke zin van het woord. Hebben dingen geen gevoel?
Als ik een nieuw pak koffiepads open maak, en die in de guitig versierde rood met zwarte koffiebus doe, blijkt er nog één achtergebleven pad van het vorige pak in te zitten. Op het moment dat het bijkeukenlicht op zijn bolle kopje valt vraagt hij zich af:
- Is het ook voor mij nu voorbij? Lonkt de pads-hel? Is de verdrinkingsdood echt het einde?
Ik weet niet of hij hoopt dat ik hem nu ook in het apparaat klem om na een persdouche het eeuwige koffiepadleven in de vuilnisbak te ondergaan, of dat hij hoopt dat ik de nieuwe pads op zijn kop zal kieperen, zodat hij minstens nog één cyclus mee gaat. Waarom zouden dooie dingen geen leven hebben?
In mijn auto ligt al maanden een pasje, waarmee ik de slagboom van het werk open. Hoe hard ik ook rijd of door bochten scheur, hij blijft daar rustig liggen. Bleef daar rustig liggen. Tot gisteren. In een op zich onbetekenend curfje van een graad of 30 dook hij plotseling in het vooronder, richting de pedalen. En nu is hij niet meer te houden. Ieder hobbeltje of bochtje is aanleiding de enorme lege ruimtes rondom te zoeken. Nu hij weet dat het kan.
Ik weet dat Rupert Sheldrake de morfogenetische velden bedacht heeft, voor de koolmezen in Japan, die zonder enig aantoonbaar contact de Engelse soortgenoten nabootsten in het openen van eerder volkomen onbedreigde melkflessen met papieren doppen. Hebben pasjes, crackers en koffiepads ook spirituele contacten met soortgenoten of zelfs cross-genderiaanse esoterische contacten?
Ik weet het niet. Maar het openen van een pak koffiepads of crackers is zo wel een spannende en levensverrijkende ervaring. Ik ben geen vegetariër. Ik denk dat ik ga leven zonder dingen die samen in een pak zitten. Voor de zekerheid.
Ik word boksielist. Vanaf nu het vegetarische woord voor een dingenloos leven!
- Ben ik het?
- Ben ik aan de beurt?
- Zou hij mij kiezen?
Voor één van de crackers is het bestaan zo meteen voorbij. Weldra zal zij vermalen worden tussen mijn kaken, na te zijn ingesmeerd met een beetje boter en smeerkaas. Wat trouwens een smerige combinatie is volgens mijn levenspartner. En volstrekt overbodig.
Ik kan ook kiezen voor de combinatie van dezelfde boter met een plakje magere achterham, maar een einde wordt het. De crackerhemel of -hel is nabij. Wat voor mensen niet bestaat kan best mee een materiële configuratie hebben. Meedingen in de letterlijke zin van het woord. Hebben dingen geen gevoel?
Als ik een nieuw pak koffiepads open maak, en die in de guitig versierde rood met zwarte koffiebus doe, blijkt er nog één achtergebleven pad van het vorige pak in te zitten. Op het moment dat het bijkeukenlicht op zijn bolle kopje valt vraagt hij zich af:
- Is het ook voor mij nu voorbij? Lonkt de pads-hel? Is de verdrinkingsdood echt het einde?
Ik weet niet of hij hoopt dat ik hem nu ook in het apparaat klem om na een persdouche het eeuwige koffiepadleven in de vuilnisbak te ondergaan, of dat hij hoopt dat ik de nieuwe pads op zijn kop zal kieperen, zodat hij minstens nog één cyclus mee gaat. Waarom zouden dooie dingen geen leven hebben?
In mijn auto ligt al maanden een pasje, waarmee ik de slagboom van het werk open. Hoe hard ik ook rijd of door bochten scheur, hij blijft daar rustig liggen. Bleef daar rustig liggen. Tot gisteren. In een op zich onbetekenend curfje van een graad of 30 dook hij plotseling in het vooronder, richting de pedalen. En nu is hij niet meer te houden. Ieder hobbeltje of bochtje is aanleiding de enorme lege ruimtes rondom te zoeken. Nu hij weet dat het kan.
Ik weet dat Rupert Sheldrake de morfogenetische velden bedacht heeft, voor de koolmezen in Japan, die zonder enig aantoonbaar contact de Engelse soortgenoten nabootsten in het openen van eerder volkomen onbedreigde melkflessen met papieren doppen. Hebben pasjes, crackers en koffiepads ook spirituele contacten met soortgenoten of zelfs cross-genderiaanse esoterische contacten?
Ik weet het niet. Maar het openen van een pak koffiepads of crackers is zo wel een spannende en levensverrijkende ervaring. Ik ben geen vegetariër. Ik denk dat ik ga leven zonder dingen die samen in een pak zitten. Voor de zekerheid.
Ik word boksielist. Vanaf nu het vegetarische woord voor een dingenloos leven!
Abonneren op:
Berichten (Atom)